Dit is deel 8 van mijn Scriptie “De worsteling met Boulimia Nervosa en de verschillende behandelwijzen – De reis naar Balans in je leven” waarin je kunt lezen over de worsteling met Boulimia Nervosa en de verschillende behandelwijzen. In dit deel krijg je uitleg over de verschillende polariteiten in het hulpverleningsproces. Leg ik uit hoe een symptoom als Boulimia Nervosa een conflict kan worden. En leg ik uit wat er binnen de ervaringsgerichte Psychosociale therapie bedoeld wordt met een goede ouder worden voor jezelf en wat daarvoor nodig is. Val je er middenin kun je teruggaan naar de inhoudsopgave en of onderaan de pagina doorklikken naar het vorige of het volgende deel.


Polariteiten in het hulpverleningsproces

Bouwkamp en Bouwkamp beschrijven in hun handboek verschillende polariteiten die voorkomen in het hulpverleningsproces tussen de therapeut en cliënt. Polariteiten zijn tegenpolen. Het zijn de tegenpolen die samen een geheel vormen. Bijvoorbeeld: vreugde en verdriet, vertrouwen en angst. Vaak is het zo dat de tegenpool degene is die onderdrukt is, en/of waar je je niet bewust van bent. En zolang de polariteiten in harmonie met elkaar bestaan, voel je je goed en evenwichtig. Wanneer het evenwicht tussen de polariteiten is verstoord, wordt ook je energiehuishouding verstoord. Uiteindelijk gaat het erom dat het in balans komt.
Binnen het hulpverleningsproces zien Bouwkamp en Bouwkamp ook dat er drie polariteiten bestaan die van invloed zijn op het proces tussen de therapeut en cliënt tijdens de therapie.

Van symptoom naar conflict

Eerste polariteit: Het vijandige symptoom versus de accepterende hulpverlener

Het symptoomgedrag (Boulimia Nervosa) is vaak de aanleiding om hulp te vragen, meestal met de bedoeling om de lastige symptomen weg te werken. Doordat je als cliënt je symptoomgedrag afkeurt, sluit je ook de mogelijkheid voor jezelf af om uit te zoeken waar het symptoomgedrag mee te maken heeft, welk proces het signaleert. Bijvoorbeeld: doordat het niet lukt om de eetbuien de baas te zijn, straf je jezelf af en zeg je eigenlijk nee tegen jezelf. Het lukt je niet te accepteren dat je dit niet zelf kunt oplossen en het voelt alsof de ziekte de baas is. Tevens wil je wel van je eetbuien af, maar wil je niet aankomen in gewicht. Maar doordat je niet liefdevol naar jezelf bent en kunt accepteren dat het lastig is, zullen de eetbuien blijven bestaan.

Het paradoxale van symptomen is dat zolang je ze wilt elimineren, ze juist blijven bestaan. Uit de eetbuien komen hangt samen met een ‘ja’ zeggen tegen jezelf, zelfacceptatie. Wat betekent dat je de ziekte durft aan te kijken en kunt zien als een ‘logisch’ gevolg van hoe je met jezelf omgaat.

Wil de therapeut je kunnen helpen om te veranderen, dan zal je als cliënt eerst onder ogen moeten zien wie je bent, wat je mogelijkheden zijn en wat je beperkingen zijn. De therapeut zal dan ook op het standpunt staan dat wil je als cliënt van je symptoomgedrag af, je dat gedrag in eerste instantie moet accepteren als iets wat er is, als je eigen handicap. Alleen dan is het mogelijk om uit te zoeken waarvoor het symptoom staat, waar het mee te maken heeft en wat het signaleert. Hiermee zeggen we niet dat je de symptomen maar hebt te accepteren, maar dat je het symptoom ziet en accepteert als een signaal.

Therapeut vraagt het meisje of ze weet wanneer de eetstoornis is begonnen. Het meisje laat weten dat dit op haar 19e jaar ongeveer is begonnen. Ze wilde afvallen, lijnen, maar dit lukte niet. Ze at heel onregelmatig, maar vaak liep dit uit op eetbuien. Voordat de eetbuien zijn begonnen, was ze al een jaar bezig om te vermageren, maar zonder succes. Het meisje laat weten vroeger gepest te zijn en dat haar moeder in die periode lange tijd ziek is geweest. Ze wilde haar moeder dan ook niet lastigvallen met haar eigen problemen. Ze heeft in die periode veel voor haar moeder gezorgd en voor haar broertjes en zusjes. Vader was veel weg en eigenlijk afwezig. De therapeut geeft het meisje terug dat er dus weinig aandacht voor haar is geweest en dat hij dat pijnlijk vindt om te horen. Het meisje geeft aan niet beter te weten en te hebben geleerd om voor de ander te zorgen. De therapeut vraagt daarna of ze kan omschrijven wat er gebeurt, welke gedachten ze heeft en/of wat ze voelt op het moment dat ze een eetbui gaat houden.

Het meisje geeft aan dat ze onrust voelt en aan niets anders kan denken dan eten op dat moment. Als ik vraag of daar ook nog andere gevoelens mee spelen, denkt het meisje lang na. Het meisje laat weten dat op die momenten ze zich eigenlijk ook verdrietig en alleen voelt. Het valt de therapeut op dat het meisje veel in haar hoofd zit en weinig in haar lijf, tevens is er weinig te zien aan emoties. De therapeut geeft het meisje terug dat hij ziet dat ze veel in haar hoofd zit en dat hij de indruk heeft dat ze moeite heeft om bij haar emoties te komen.

Het meisje bevestigt dit en wil verder gaan vertellen. De therapeut stopt het meisje en zegt haar dat ze nu ook weer direct door wil, i.p.v. even stil te staan bij wat hij zei. Het meisje laat weten van haar eetproblemen af te willen en liefst zo snel mogelijk. De therapeut geeft meisje weer terug dat ze het blijkbaar lastig vindt om echt even stil te staan. De therapeut vraagt het meisje om even stil te staan en te voelen wat ze nu voelt. Het meisje is stil en geeft aan het lastig te vinden te weten wat ze voelt. Uiteindelijk vraagt de therapeut of hij een experiment mag doen. Het meisje vindt dit goed en de therapeut vraagt of het goed is dat hij wat dichterbij komt zitten. Het meisje geeft aan dit geen probleem te vinden. De therapeut zet de stoel dichterbij en vraagt het meisje vervolgens te voelen hoe dit is.

In dit bovenstaande voorbeeld gaat de therapeut uiteindelijk met dit meisje aan de slag met het dichter bij haar gevoel komen. De therapeut bemerkt en ziet namelijk hoe lastig dit voor dit meisje is. Ze is zo gewend om niet naar haar gevoel te luisteren en emoties stopt ze weg.

Het enige wat ze wil is van haar eetstoornis af, maar daarvoor zal ze eerst meer stil moeten staan, meer moeten gaan voelen en beseffen wat ze met zichzelf doet. Daarna kan je met haar stilstaan bij het accepteren dat de situatie is, zoals deze nu is en dat zolang ze niet stil wil staan bij zichzelf en haar gevoelens, de eetbuien blijven bestaan.

Om te verhelderen waar de klacht of het symptoom mee te maken heeft en duidelijk te krijgen welk proces het symptoom signaleert, kan de therapeut een reeks vragen stellen, zoals:

Wat is het symptoom waarvoor hulp gevraagd wordt? Wanneer is het symptoomgedrag begonnen en wat speelde er toen in het leven van de cliënt? Wanneer treedt het symptoom meestal op? Wat speelt er in het leven van de cliënt vlak voordat het symptoom optreedt? Welke gedachten en gevoelens heeft de cliënt zelf over zijn symptomen? Waar hebben ze volgens de cliënt mee te maken?

Het is van belang op te letten als therapeut hoe de cliënt over zijn klachten praat. Hoe mensen met hun symptomen omgaan, geeft veel informatie over hoe ze met (delen van ) zichzelf omgaan.

Bij bovenstaand voorbeeld zie je dat het meisje bijna zonder emotie weet te vertellen over haar voorgeschiedenis en alles wat er is gebeurd. Dit geeft de therapeut dus informatie over hoe weinig ze stilstaat bij wat dit met haar doet en heeft gedaan. Wellicht is dit te pijnlijk voor haar, maar duidelijk is dat ze moeilijk stil kan staan en emoties vermijdt.

Herkenning van beide polen

Tweede polariteit: Slachtoffer versus onderdrukker

Het is de taak van de therapeut om mensen uiteindelijk anders met zichzelf om te leren gaan, zodat het symptoomgedrag niet langer nodig is. De therapeut zal dan ook in het begin aansluiten bij de symptomen, maar vervolgens kijken naar het onderliggende conflict, het proces dat het symptoom signaleert. Het proces wat aan het symptoomgedrag vooraf is gegaan. Het fundament van deze werkwijze is de tegengestelde polen of elkaar tegenwerkende krachten helder en concreet tegenover elkaar te stellen en een dialoog, een ontmoeting tussen beide polen op gang te brengen, totdat er een nieuwe balans ontstaat. Vaak durven we maar één pool toe te laten, het toegestane deel. Door de ontkenning van de andere pool (het niet toegestane deel) ontstaat er spanning, de bron van symptomatisch gedrag. De therapeut gaat samen met de cliënt kijken naar de tegenpool, degene die onderdrukt is.

Of een symptoom zich nu intrapsychisch of interpersoonlijk manifesteert, het bestaat dus altijd uit twee delen (twee polariteiten), waarbij het ene steeds wordt voorgesteld als slachtoffer van het andere: ‘door mijn gespannenheid kom ik tot niets; door mijn migraine mis ik altijd alle pleziertjes; ik kan niet van de drank afblijven; ik kan er niets aan doen dat ik depressief ben. De cliënt identificeert zich bijna altijd met het slachtoffer en nooit met de onderdrukker en presenteert zich zo aan de therapeut.

Bij Boulimia Nervosa zou het bijvoorbeeld kunnen zijn dat de cliënt aangeeft slachtoffer te zijn van de eetbuien, aangezien de eetbuiten haar in haar macht houden. Het overkomt haar en ze kan er niets aan doen dat het niet lukt om te stoppen.

Onderdrukker zijn past niet in het beeld dat de meeste mensen van zichzelf hebben en houden dit deel van zichzelf weg. Zo willen ze niet zijn. Doordat de cliënt zich als slachtoffer opstelt van zichzelf of anderen, verwacht hij ook dat de oplossing voor zijn problemen van buiten komt. De cliënt ziet zelden zichzelf als degene die de oplossing heeft.

De ontwikkeling van nieuw en beter gedrag, is alleen mogelijk wanneer beide polen zichzelf kenbaar maken en elkaar ontmoeten. Dus niet alleen van de eetbuien af willen, maar ook kijken naar wat er onderliggend aan de hand is. Om dat te bereiken zal de therapeut de cliënt moeten uitdagen om met dat deel van zichzelf voor de dag te komen dat hij niet accepteert en dat hij liever weg wil houden.

Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat een Boulimia Nervosa patiënt een behoorlijke perfectionist is, die geen zelfvertrouwen/ eigenwaarde heeft, die de controle wil houden en het liefst nog steeds af wil vallen of op gewicht wil blijven . Als therapeut zorg je er dan voor dat je de cliënt niet langer alleen maar met het weinige zelfvertrouwen of laag eigenwaarde laat identificeren, maar ook met de perfectionist en controleur die zichzelf onder druk zet en zichzelf weigert te accepteren.

Meisje geeft aan in een gesprek dat de eetbuien haar in haar macht houden. Ze kan er niks aan doen en baalt er vreselijk van, want zo lukt het haar nooit om van de eetstoornis af te komen. De eetstoornis is de baas en zo wordt ze nooit slank en gelukkig. De therapeut vraagt het meisje wat ze met de inzichten van het vorige gesprek heeft gedaan. Het meisje laat weten dat ze wel stil kan gaan staan, maar dat dit haar ook gewoon niet lukt, niet lijkt te helpen en vervolgens eet ze weer te veel en daar baalt ze dan weer van. Het is gewoon ellende. Ze geeft vervolgens aan ook weer elke dag op de weegschaal te hebben gestaan en afvallen gebeurt gewoon niet. De therapeut geeft het meisje terug dat hij ziet dat ze vooral de controle wil blijven houden en nog steeds af wil vallen. De therapeut vraagt wanneer het meisje denkt gelukkig te zijn. Het meisje antwoord met als ze slank is en van haar eetbuien af is. De therapeut geeft het meisje terug dat dit een onmogelijke vraag is aan haar zelf.

Ze zal niet gelukkig worden, als ze controle wil blijven houden en zichzelf weigert te accepteren en weigert naar zichzelf te kijken en stil te staan. De therapeut laat het meisje weten dat hij juist een heel krachtig karakter ziet, die alleen nog steeds vecht tegen zichzelf i.p.v. liefdevol naar zichzelf kijken en accepteren dat de ziekte nu is, zoals deze is. De therapeut geeft aan dat hij dit pijnlijk vindt om te zien. Zolang ze de eetbuien de schuld blijft geven en haar eigen aandeel hierin niet wil zien, zal er nooit verandering komen. Het meisje vindt het lastig om te horen en geeft dat terug aan de therapeut, want ze ziet zichzelf als slachtoffer en vind het lastig nu te horen dat ze hier ook zelf een aandeel in heeft. De therapeut laat het meisje weten dat ze zelf bepaalt hoe ze met zichzelf omgaat, maar dat hij haar graag wil helpen bij het anders met zichzelf omgaan. Hiermee laat de therapeut de verantwoordelijkheid bij de cliënt om wel/ of niet met zichzelf aan de slag te gaan.

Wanneer de cliënt blijft vasthouden aan ziek of destructief gedrag, zoals de controle blijven behouden, of ongezond eetpatroon (weinig tot geen eten) of in foute relaties blijven hangen, kan de therapeut met de cliënt nagaan wat hiervan de winst (ziektewinst) is, zodat de cliënt zichzelf niet langer alleen ziet als slachtoffer die niet anders kan, maar zich bewust wordt van de voordelen die hij heeft met het vasthouden aan ongezond gedrag. Zo kan de cliënt ontdekken dat de controle nodig is, om toch dat ‘ideale gewicht’ te behalen. Dat de angst om aan te komen nog steeds overheerst en ze niet teleurgesteld willen worden door zichzelf en/of anderen. Maar waarmee het werken aan zelfbeeld en zelfvertrouwen stil komt te staan en de ziekte blijft voortbestaan.

Door deze polariteit staat de verwachting van de hulpverlener dat hij de cliënt zal helpen zijn eigen problemen op te lossen vaak haaks op de verwachting van de cliënt dat de hulpverlener zijn probleem voor hem oplost. De therapeut zal de verantwoordelijkheid voor de problemen en het in stand houden, neerleggen bij de cliënt. (Zie voorbeeld hierboven)

Regie over beide polen

Door de cliënt te helpen zich bewust te worden van beide polen in zichzelf kunnen de polen met elkaar in contact komen, zodat er een nieuw evenwicht ontstaat in de cliënt. Door de cliënt in te laten zien welke keuze er ligt en samen aan de slag te gaan met het niet toegestane deel, de polariteit die onderdrukt is, de angst en/of het onderliggende probleem aan te kijken en stapje voor stapje te veranderen, te verinnerlijken, te voeden zal er langzaam meer evenwicht gaan komen en meer balans. Bij een Boulimia Nervosa patiënt zou dit kunnen betekenen dat er ruimte komt voor de pijn van het zichzelf niet accepteren, werken aan het loslaten van de controle, leren opkomen voor zichzelf (autonomie verder ontwikkelen), liefdevol met zichzelf en het kleine meisje in zichzelf leren omgaan, fouten mogen maken en leren zichzelf te uiten, emoties delen / niet opkroppen. (zie voorbeelden hierboven beschreven en verder hoofdstuk een goede ouder worden)

In de afgelopen jaren door de opleiding van Kempler ben ik eveneens in contact gekomen met deze polariteiten in mijzelf. Mezelf opofferen, aan de kant zetten voor de ander, de ander belangrijker maken dan mijzelf was nog steeds een aandachtspunt. Voor mezelf opkomen, mezelf belangrijk maken en mijn eigen behoeften en gevoelens volgen was niet altijd even makkelijk. Mede dankzij de opleiders, medestudenten en de lesstof ben ik hierbij stilgezet en heb ik hieraan samen met anderen kunnen werken. Door bijvoorbeeld ruimte in te nemen tijdens de opleiding, kwam ik voor mezelf op en maakte ik mijzelf belangrijk. Er bleef af en toe wel een gevoel knagen van egoïsme, de ander tekort doen, asociaal. Maar hierin ben ik de afgelopen jaren enorm gegroeid. Goed zorgen voor mezelf betekent niet langer dat ik egoïstisch of asociaal ben. Ik ben gewoon een betere ouder geworden voor mezelf. Ik ben hierdoor in een soort nieuw evenwicht gekomen.

Derde polariteit: negatief versus constructief

Dit betreft de ‘botsing’ tussen de destructieve en disfunctionele negativiteit van de cliënt en de constructieve positiviteit van de therapeut. Als voorbeeld betekent dit dat de therapeut een goed voorbeeld tracht te zijn door een positieve houding naar zichzelf en de cliënt te laten zien en door bijvoorbeeld de cliënt te laten ervaren dat deze gezien word in haar zijn en geaccepteerd word en dat de kwetsbaarheden getoond mogen worden. De therapeut doet dus een appel op jou als cliënt om tegenovergesteld te reageren op je toegestane deel.

Als ik kijk naar boulimia nervosa geld voor mij hierbij dat ik in plaats van gaan eten en/of afleiding zoeken om weg te gaan bij mijn emotie en/of pijn, heb leren bedenken wat er speelt aan emoties en deze nu meer toelaat. De therapeut of opleider heeft hierbij laten zien dat me kwetsbaar opstellen, verdriet mogen hebben, emoties mogen uiten goed is. Mezelf en mijn emoties serieus nemen en leren uitspreken. Geen afleiding zoeken, maar de emoties eruit laten gaan en deze ook delen met iemand die me lief is. Het niet toegestane deel hier is geen emoties laten zien en uitten aan anderen, altijd sterk zijn en niet afhankelijk van anderen worden. Maar door dit juist wel toe te laten, te accepteren dat het verdriet, de boosheid en/of de emoties er op dat moment zijn en daar juist aandacht aan te geven, ben je een goede ouder voor jezelf aan het worden. Een positieve houding van de therapeut, de opleider is hierbij van groot belang geweest. Een houding waarbij je voelt dat je goed bent zoals je bent, onvoorwaardelijk geaccepteerd wordt en dat niks gek is, heeft hierbij geholpen.

Hierdoor krijg je weer regie over jezelf, je ontwikkelt een positieve houding t.o.v. jezelf en je verinnerlijkt deze positieve houding. Je accepteert als het ware je niet toegestane behoeften en gevoelens, erkent en accepteert ze, waardoor ze net als verwaarloosde kinderen niet langer hoeven te roepen om aandacht. Ze krijgen nu aandacht van jezelf. En i.p.v. bij onrust en spanning bij Boulimia Nervosa afleiding te zoeken (zoals ik geleerd had binnen de reguliere behandeling), heb ik geleerd om stil te gaan staan en te kijken naar wat de onrust en spanning is en wat het me te vertellen heeft. Daar aandacht aan te schenken door ernaar te luisteren en of rust te nemen, of mijn emoties te uiten, of om een knuffel vragen etc.

Een goede ouder worden

Volwassen zijn betekent een goede ouder worden voor jezelf.

Om een goede ouder te worden voor jezelf is het belangrijk eerst de niet toegestane delen uit je verleden, gevoelens en behoeften te verwelkomen en accepteren. Dat ze er mogen zijn en dat je ze niet langer onderdrukt. Een goede moeder die ja zegt tegen je leven en door haar liefdevolle interesse en vriendelijke aandacht bestaansrecht geeft aan je niet toegestane delen. Een goede vader die je reacties op een milde wijze evalueert en je op een begripvolle, maar onmiskenbaar duidelijke wijze tot de orde roept en je vol mededogen helpt vorm te geven aan je leven door middel van daden en acties overeenkomstig je verantwoordelijkheid voor jezelf en anderen. Het moge duidelijk zijn dat op deze wijze leren om een goede ouder te worden voor jezelf, een levenslange opgave is.

Daarna is het van belang dat de aangeleerde reactiepatronen worden begrepen en dat de cliënt er met mildheid naar leert kijken. Hiervoor is het belangrijk dat je hulp krijgt van de therapeut, zodat je contact kunt gaan maken met de niet- toegestane delen en toegestane delen en het symptoomgedrag. De therapeut zal dan ook tijdelijk een goede ouder moeten worden voor de cliënt. Dit doet de therapeut door het “goede” voorbeeld te zijn voor de cliënt. Dit houdt in dat je als therapeut voortdurend bezig bent met goed contact maken met jezelf en de cliënt. De cliënt gaat hierdoor haar patronen leren herkennen en haar wil en behoefte om destructieve patronen, wensen en angsten op te geven, te versterken en nieuwe adequate gedragspatronen aanleren.
Het doel van de therapie is datgene aan de cliënt te geven wat ze nodig hebben om in de toekomst zichzelf te kunnen helpen.

Daarnaast is het belangrijk dat de therapeut de cliënt gaat wijzen op haar eigen verantwoordelijkheid en haar eigen aandeel in de problemen. Zodat de cliënt inzicht krijgt in hoe ze met zichzelf omgaat en wat zij daarin met zichzelf doet. De cliënt kan naar verloop van tijd hopelijk ook milder naar zichzelf kijken en langzaam aan een betere ouder worden voor zichzelf. Als therapeut ben je dus in dit gehele traject het ‘voorbeeld’. Door continu goed contact te maken als therapeut met jezelf, je eigen behoeften, je eigen grenzen, leer je de cliënt dit ook te internaliseren. Als cliënt ga je je eigen patronen herkennen, je eigen behoeften ontdekken en uiteindelijk nieuwe, adequate gedragspatronen aanleren. De therapeut zal hierin een goede balans moeten laten zien tussen autonomie en verbondenheid.

Lukt dit alles uiteindelijk, dan spreek je van persoonlijkheidsverandering. Niet omdat de persoon zelf verandert, maar omdat je een wezenlijk andere relatie met jezelf ontwikkelt.

Belangrijk is dat je overlevingspatronen van jezelf gaat herkennen, valkuilen, allergieën in het heden, alsmede de samenhang met het verleden. Dat je leert om je overlevingspatronen te blokkeren. Dat je je behoeftes versterkt en de wil hebt om destructieve wensen (allergieën) en angsten (valkuilen) opgeeft. En dat je aan de slag gaat met het aanleren van nieuwe, meer adequate gedragspatronen, door op zoek te gaan naar je eigen aard en kwaliteiten en deze te verbinden met je uitdaging, met dat wat je te leren hebt.

Voor mij, maar eveneens voor de meeste Boulimia Nervosa patiënten geldt dat je terug gaat naar de pijn, naar je behoeftes en dat je liefdevol naar jezelf gaat kijken en liefdevol leert met jezelf om te gaan. Daarvoor is het belangrijk dat je je grenzen gaat leren aangeven, je behoeftes leert uitspreken, je emoties leert uitten en leert omgaan met spanningen in jezelf en in de omgeving. Dat je gaat ervaren dat je er mag zijn met al je schoonheid en je kwaaltjes. Hiervoor is het noodzakelijk dat je omgeving betrokken word, omdat je nooit in je eentje het ‘gat’ van leegte kunt voeden en opvullen. Hiervoor heb je anderen nodig. De therapeut kan hierbij deels helpen, doordat hij tijdelijk de liefdevolle ‘ouder’ voor je kan zijn, die je stilzet bij de pijn, je niet toegestane en toegestane delen, die liefdevol confronteert en laat zien dat kwetsbaar zijn okay is en je helpt bij het stilstaan van je werkelijke behoeftes, wensen.



Worstel jij met Boulimia Nervosa?
Of ken je iemand uit je omgeving en heb je een specifieke vraag?

Ik ben ervaringsdeskundige en gespecialiseerd in dit thema.
Bel gerust (06-54 71 54 67) of stuur een e-mail via de contact pagina ›

 

Attribution original picture | Attribution user | Attribution 2.0 Generic